GRONINGEN – Het is iets voor tien uur wanneer Henk zijn jas aantrekt. Zijn vrouw kijkt nauwelijks meer op. „Ben zo terug.” Ze weet genoeg. Henk pakt zijn fiets en rijdt richting de Grote Markt. Niet voor een boodschap of afspraak. Hij moet controleren of de Martinitoren er nog staat.
Een kwartier later remt hij af, zet één voet op de grond en kijkt omhoog. Daar staat-ie. „Mooi.” Hij kan weer naar huis.
Het begon als grap
Het ritueel begon 23 jaar geleden. Henk zat met zijn vrouw op de bank toen zij voor de grap zei: „Straks hebben ze de Martinitoren weggehaald.” Henk lachte. Maar niet lang. „Je weet het niet.”
Hij stapte op de fiets en ging kijken. De toren stond er nog. De volgende avond besloot hij opnieuw te controleren. Puur voor de zekerheid. Na een week wilde hij stoppen. „Maar toen dacht ik: dat is natuurlijk precies het moment waarop het misgaat.” Sindsdien fietst hij iedere avond.
Nog nooit verdwenen
In al die jaren heeft Henk geen enkele vermissing hoeven constateren. Dat mensen zijn controles daarom overbodig noemen, begrijpt hij niet. „Iedereen zegt: dat ding staat er al honderden jaren. Klopt. Maar ik controleer ook al 23 jaar. Trek zelf je conclusie maar.”
De controle duurt tegenwoordig nog geen vijftien seconden. Henk kijkt of de toren er staat, of de bovenkant er nog op zit en of hij ongeveer op dezelfde plek staat als gisteren. „Je moet niet alleen naar de onderste helft kijken en denken: prima. Zo werkt het niet.”
Vooral mistige avonden zijn lastig. Eén keer zag Henk de toren bijna drie kwartier niet. „Dan ga je toch denken.” Net toen hij de gemeente wilde bellen, trok de mist op. De Martinitoren stond er gewoon.
Een paar jaar eerder ging het bijna écht mis. Henk kwam aan, keek omhoog en zag niets. „Weg. Ik dacht: zie je wel.” Na ongeveer twintig seconden ontdekte hij dat hij de verkeerde kant op keek. De toren stond achter hem. Sindsdien controleert hij altijd vanaf dezelfde plek. „Dat was geen fijne avond.”
Vakantie werd een probleem
Slechts één keer liet Henk zijn ronde aan iemand anders over. Tijdens een vakantie naar Frankrijk nam buurman Bert de controle een week lang over. Iedere avond moest Bert naar de Grote Markt fietsen, kijken en een foto sturen.
Op donderdag bleef de foto uit. „Paniek.” Drie minuten later kwam alsnog een bericht. Bert zat op het toilet. „Dat soort dingen moet je vooraf communiceren.”
Henk ziet Bert inmiddels als zijn ideale opvolger. Bert weet daar zelf weinig van. „Ik heb één week foto's van een toren gestuurd en blijkbaar heb ik nu een functie.”
Over de jongere generatie maakt Henk zich meer zorgen. „Die kijken gewoon op Google Maps en zeggen: hij staat er nog.” Hij schudt zijn hoofd. „Die foto kan van dinsdag zijn.”
Iemand moet het doen
Even na tien uur staat Henk opnieuw op de Grote Markt. Hij kijkt omhoog. De Martinitoren staat er. Net als gisteren, eergisteren en alle duizenden avonden daarvoor.
Een groep studenten loopt voorbij zonder ook maar één keer omhoog te kijken. Henk stapt weer op zijn fiets. Morgenavond komt hij terug.
Want dat de Martinitoren in 23 jaar nog nooit verdwenen is, stelt hem allerminst gerust.
„Dat betekent vooral dat we het goed in de gaten hebben gehouden.”





